Stoppende boeren

Het aantal leegstaande schuren en boerderijen groeit. Jaarlijks stoppen circa 2.500 agrarische bedrijven, hierdoor komt er een enorme opgave vrij.

Naar schatting staat er in Nederland momenteel circa 10 tot 11 miljoen m² aan agrarische gebouwen leeg of is dit beperkt in gebruik (zonder toekomstbestendige economische functie). De gemiddelde leeftijd van agrarisch ondernemers is bijna 60 jaar, daarom is de verwachting dat er tot 2030 nog eens 16 miljoen m² aan agrarisch vastgoed vrijkomt. Een groot deel van deze leegstand betreft na 1965 gebouwde stallen en schuren. Het herbestemmen van deze stallen is complex, omdat er veel van zijn en er weinig vraag naar is. Langdurig ongebruik kan leiden tot risico's zoals verloedering en ongewenste activiteiten (zoals drugslabs).

Gemeenten en provincies worstelen met dit vraagstuk. Huidige instrumenten zoals 'Rood-voor-Rood' of sloopregelingen zijn vaak primair gericht op nieuwbouw van woningen en niet altijd toegesneden op innovatieve hergebruik-initiatieven (zoals erfdelen).

Gebrek aan alternatief

Wanneer een bedrijfsopvolger ontbreekt, belanden veel agrarische erven in een grijs gebied. Of het nu gaat om een leegstaand woonhuis waarbij de omliggende gronden door een buurman worden gebruikt of om stallen die hun functie hebben verloren: vaak ontstaat een vorm van passieve leegstand. Deze situatie is zelden een bewuste keuze, maar eerder het gevolg van een systeem waarin de drempel tot stoppen extreem hoog ligt.

De voornaamste reden is een optelsom van fiscale en emotionele drempels. De belastingafrekening bij bedrijfsbeëindiging dwingt veel boeren om door te werken tot het fysiek of economisch niet meer gaat, waardoor het bedrijf langzaam zijn vitaliteit verliest. Bovendien fungeren de opstallen vaak als vermogen of onderpand, waardoor eigenaren liever uitstellen met een gebrek aan een beter optie.

Dat een stoppende boer in zijn pensioen de rol van vastgoedontwikkelaar op zich neemt, is veel gevraagd. Bovendien is de boerderij geen 'vastgoed', maar een levenswerk. Na decennia van hard werken is er een begrijpelijke behoefte aan rust, niet aan een bureaucratisch herbestemmingstraject dat drie tot zeven jaar in beslag kan nemen. Doordat er nauwelijks neutrale partijen zijn die de boer volledig ontzorgen zonder dat hij zelf hoeft te participeren in het risicovolle ontwikkelproces, blijft niks doen vaak de beste optie.

Het huidige beleid, zoals de 'rood-voor-rood'-regeling, legt bovendien een zware (bewijs)last bij de eigenaar. Van een boer wordt verwacht dat hij zelf plannen indient, noodzakelijke onderzoeken financiert en onderhandelt met omwonenden. Allemaal met risico's en expertises die ver afstaan van zijn dagelijkse praktijk. Daar komt bij dat de emotionele drempel hoog is: het opofferen van de eigen identiteit of het delen van het erf met nieuwe bewoners voelt voor velen als een brug te ver.

Maatwerk

De opgave van agrarische herbestemming dwingt gemeenten om verder te kijken dan enkel de data. Het is een uitdaging die vraagt om oprechte aandacht voor het perspectief van de boer. Oplossingen liggen hier minder in rigide regelgeving en meer in het faciliteren van transitiepaden, waarbij de boer tijdig en persoonlijk wordt ondersteund bij het afbouwen of transformeren van het erf.

Het is daarbij essentieel om de focus te verleggen onmogelijkheden naar de enorme potentie die hier verscholen ligt. De vrijkomende erven vormen geen last, maar een unieke kans om de de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland te stimuleren. Of het nu gaat om toerisme, cultuur, recreatie of een hybride mix van wonen en bedrijvigheid: deze plekken kunnen de economie van het buitengebied een enorme impuls geven.

Daarnaast kan het de krimp tegengaan en tegemoetkomen aan de grote behoefte aan diversificatie op het platteland. De crux is daarbij dat de meerwaarde van deze vernieuwing ook daadwerkelijk terechtkomt bij degene die het meest opoffert: de boer zelf. Wanneer we het proces zó inrichten dat de agrariër niet alleen ontzorgd wordt, maar ook de vruchten plukt van de nieuwe bestemming van zijn levenswerk, verandert de "opgave" in een waardevol nieuw hoofdstuk voor zowel de boer als de regio.